Skip to main content
All Posts By

cees

Tot je een ons weegt

Column in het Weekblad voor Deurne, 12-05-2022.

Dagelijks kachel ik op en neer naar Helmond om te zwoegen voor de baas. Ik zie dit zelf als ontwikkelingshulp, maar dat terzijde. Dit wil ook zeggen dat ik iedere dag weer dezelfde elf stoplichten moet passeren. Jawel; stoplichten, geen verkeerslichten, want van een groene golf hebben Hellimondse verkeersdeskundigen nog niet gehoord. Meestal sta ik daarom langer stil dan dat ik rijd. Nu ben ik geen geduldig chauffeur, verre van dat zelfs. Ik vloek, scheld en tier luidkeels bij ieder rood licht en om de haverklap bonk ik zwaar geïrriteerd op mijn stuur wanneer een voorligger weer eens niet door oranje wil rijden of bij groen niet snel genoeg van zijn plek komt. Gelukkig zit ik alleen in mijn vehikel zodat ikzelf de enige ben die last van heeft van deze tirades. Niet slim, ik weet het, maar het is niet anders.

Tijdens een van deze martelritten heb ik laatst overwogen (tijd zat als je stil staat) gebruik te gaan maken van het openbaar vervoer; de trein dus. Dat zou eigenlijk zomaar kunnen. In Helmond wel tenminste; mijn werkplek ligt ongeveer op kruipafstand van Catstown Centraal. Maar in Deurne is dat anders. Ik woon in het pittoreske Zeilberg en da’s ver genoeg van het station om iedere morgen als een verzopen kat in die trein te moeten stappen. En ja, ik weet wel dat het niet altijd regent, maar neem gerust van mij aan dat wanneer ík mijn fiets uit de schuur trek het minimaal miezert, maar waarschijnlijk net volle bak begint te plenzen. Bovendien tref ik waarschijnlijk, met mijn geluk, bij terugkomst mijn stalen ros aan met minimaal één lege band. Als ie tenminste niet gestolen of om een lantaarnpaal gevouwen is.

De oplossing lijkt me eigenlijk simpel. Als die Kattenmeppers vier stations hebben mag Deurne er toch ook wel twee, of niet dan? En het nieuwe station Zeilberg hoeft helemaal niet zo’n kolossaal geval te worden; twee afdakjes is genoeg. Een aan ieder kant. En dan gewoon je hand opsteken als je wilt dat de trein stopt, net als bij de bus.

Het ga u bijzonder en mij ook.  

Oranje Boven!

Column in het Weekblad voor deurne, 28-04-2022

Gisteren waren ze weer op de buis; onze royals, in hun paasbeste kloffie, zomaar tussen het gewone volk. Laat ik eerst maar melden dat ik niks heb tegen ons koningshuis. Dat ze misschien niet de allerslimste familie van Nederland zijn vergeef ik ze graag. Generaties lang trouwen met neven en nichten doe je nou eenmaal niet ongestraft, maar dat kan ik deze koning moeilijk kwalijk nemen. Die had tenminste het verstand zijn (alleszins appetijtelijke) appeltje van oranje niet uit het kringetje van akelig aan elkaar verwante vorstenhuizen te plukken. 

Maar goed, hij hoeft nogal niet mee te doen aan De Slimste Mens en ikzelf verkies een onpartijdige koning boven een uit de leugenachtige politiek afkomstige president. Jaloers ben ik, ondanks de vorstelijke (toepasselijk hè) beloning die ze krijgen, ook niet op onze koninklijke familie. Eerder heb ik een beetje medelijden. Waar wij, klootjesvolk, ongestraft chagrijnig mogen wezen of de malloot mogen uithangen, moeten zij steevast in de pas lopen. 

En zeker de dochters van onze vorst gun je een wat normaler leven. Het zijn inmiddels drie gezonde blozende pubers bij wie de hormonen regelmatig door het lijf moeten gieren, zou je zo denken. Van die grieten die af en toe ook niks liever willen dan, na een avondje heftig stappen, behoorlijk aangeschoten afgelebberd te worden in een achteraf steegje door een evenzo opgewonden jongeman. Of jongedame, weet ik veel. En dat dan zonder dat heel puriteins Nederland op zijn achterpoten staat. 

Ook onze koning zelf lijkt eigenlijk een stakker. Ervan uitgaand dat hij niet, net als zijn opa, de katjes in het donker knijpt, doet hij zijn vroegere bijnaam Prins Pils weinig eer aan tegenwoordig. En dat terwijl hij helemaal niet zo’n verkeerde lijkt om een avondje onbehoorlijk mee door te halen. Hij zou er zomaar een kunnen zijn die dik na sluitingstijd oeverloos blijft zeuren om nog een allerlaatste rondje. Eentje die, nadat ik hem akelig in de olie thuis heb afgeleverd, zijn vrouw in haar negligeetje vriendelijk verzoekt eitjes voor ons te bakken. Ik hoor Maxima al uit de keuken roepen; ‘dooier heel of kapot?’

Het ga u bijzonder en mij ook.

Voor hij en zij en het

Column in het Weekblad voor Deurne, 14-04-2022

Er valt mij wat op wanneer ik per ongeluk een Nederlands praatprogramma op de kijkdoos inschakel. Behalve de inmiddels verplichte gekleurde medelander (sorry, ik krijg ‘mensen van kleur’ nog steeds niet uit mijn pen), moet daar ook minimaal een transgender, non-binair of hoehetallemaalookhetenmagpersoon aanschuiven. Ik wil benadrukken dat ik absoluut niets tegen deze mensen heb. Het lijkt me verschrikkelijk wanneer je voor je gevoel in het verkeerde lichaam zit en ik kan me voorstellen dat je daar wat aan laat doen. Zelfs wanneer iemand het gewoon prettig vindt af en toe in een andere huid te kruipen kan ik daar uitstekend mee leven. Het begint bij mij pas te wringen wanneer een, toch relatief kleine, groep als deze onevenredig veel aandacht opeist. Zeker wanneer de hele samenleving zich dan aan hen lijkt te moeten aanpassen. De tot belachelijke proporties opgeblazen discussie rond hij, zij en het vind ik daarvan een voorbeeld.

Sowieso; het wordt er voor mij allemaal niet helderder op. Deze week las ik dat een van de grote bazinnen van Disney ervoor pleit dat meer acteurs uit bovengenoemde groepen rollen krijgen in al hun producties. Niks mis mee dacht ik nog. Tot ik me realiseerde dat ik me dadelijk, na een film lang verlekkerd naar een mooie dame kijken, tijdens de aftiteling toch zomaar wat beschaamd kan voelen.      

Maar goed; ik vind het dus geen enkel probleem wanneer iemand iets anders wil zijn. Daarom heb er ook eens over nagedacht of ik in die richting nog wensen heb. Nou, ik wil eigenlijk graag als ruwharige teckel door het leven gaan. Zo eentje met wat te korte pootjes, een vlassig staartje en zo’n ruig kopje. Niet de hele dag nee; dat wil ik mijn collega’s en familie niet aandoen, maar een uurtje per dag lijkt me wel prima. Gewoon buiten tegen boompjes plassen, ongestraft tegen dames opspringen en ongenuanceerd keffen naar alles wat groter is dan ik. En het lijkt me helemaal geweldig als iemand dan ook nog eens ‘brááve hond’ tegen me zegt, als ik mezelf uitlaat. Het ga u bijzonder en mij ook.   

Russen

(Column in het Weekblad voor Deurne 31-03-2022)

Wat ik nou eigenlijk vond van ‘die Russen’ vroeg mij laatst iemand, wat later op de avond, in de kroeg. Waarschijnlijk verwachtte ze een gevat antwoord van me, maar dat kon ik zo een twee drie niet oplepelen. Toen ik daarna naar huis probeerde te fietsen dacht ik er nog over na en ik kwam halverwege al tot de conclusie dat ik eigenlijk niks vind van Russen. De weinige Russische burgers die ik ken zijn gewoon aardige, goedlachse en gastvrije mensen met wie het prima toeven is met een goed glas op een terrasje in het voorjaarszonnetje. Ze hebben net zo weinig verstand van politiek als ik en vinden vast, net als ik, de prijs van een biertje stukken belangrijker dan oorlog in een verwegland.

Ik heb in een grijs verleden een keer iets te overdadig genuttigd met enkelen van hen in een Deurnes etablissement. Wat me daarvan is bijgebleven is dat ze na een paar glazen niet agressief maar wel zwaar melancholiek worden. In plaats van anderen vervelen en ruzie zoeken, zoals bij ons toch wel eens lijkt te gebeuren, omarmden ze wildvreemden als hun beste vrienden en zongen ze samen uit volle borst zwaarmoedige liederen. Zit in de aard van het beestje dacht ik toen al. Hun componisten schreven ook niet voor niets fantastische muziek en hun volkslied is misschien wel het allermooiste, zeker als het gezongen wordt door een groot koor van kolossale mannen met baarden.

Wat ze daar eten en drinken spreekt me dan weer stukken minder aan. Aardappelsoep staat niet in mijn top tien, wat ze onder worst verstaan krijgt zelfs een hond niet weg, wodka vind ik alleen nuttig om motoronderdelen mee te ontvetten en met wat ze daar bier noemen was ik mijn auto niet eens.

Helemaal niks mis met ‘die Russen’ dus. Sterker nog; mocht er morgen een charmante Russische aan mijn voordeur staan die dol is op Brabantse kost, goeie whisky en abdijbiertjes, wil ik best het logeerbedje voor haar opmaken. Tenminste; zolang ze niet in een tank aan is komen rijden natuurlijk. Het ga u bijzonder en mij ook.

Foei!

(Column in het Weekblad voor Deurne 17-03-2022)

Net nu ik er een beetje aan begin te wennen worden ze alweer opgeruimd; al die ons net wat te vriendelijk toelachende lijsttrekkers op verkiezingsborden langs de weg. En eerlijk is eerlijk; het was voor ons al geen pretje ze elke dag te zien staan, maar wat een kruis moet het voor die gasten zelf wel niet geweest zijn. Je eigen smoelwerk op iedere straathoek, vertrokken in een totaal onnatuurlijke grijns, al dan niet vergezeld van een verschrikkelijke slogan. Voor mij is juist dát dan ook een belangrijke reden, naast het feit dat ik gewoonweg niet slim genoeg ben voor een openbare functie, me niet in de ‘polletiek’ te storten. Ik heb regelmatig ’s ochtends moeite mijn eigen gezicht in de spiegel te herkennen, laat staan dat ik mezelf ook nog eens op straat tegen wil komen. Maar goed; die verkiezingsborden dus, die werden her en der beklad met teksten als ‘NSDAP’ en ‘SS’.

Oké, ik heb regelmatig de neiging hier en daar een snor of bril bij te tekenen, net zoals iedereen, maar dit ging dus echt te ver, dat zult u met me eens zijn. Onze burgermoeder (jawel, dezelfde die op social media laat weten dat ze burgemeester in Deurne is,in plaats van van Deurne, maar dat terzijde) liet een vermanende verklaring uitgaan waarin ze schreef dat ‘het bekladden van verkiezingsborden op geen enkele wijze in een democratie past’. En dat… oh nee, verder niks. Geen opgeheven vingertje, niet eens een hartgrondig ‘foei’.

Potverdikke mevrouw; ik kan me vergissen, maar ik denk niet dat deze overduidelijk klein geschapen malloten onder de indruk zullen zijn van uw tirade. Mocht u in de veronderstelling verkeren dat deze sukkels zonder enig historisch besef zich na het lezen van uw boodschap de haren uit het hoofd trekken vanwege de teloorgang van onze democratie, moet ik u teleurstellen, denk ik. Dus misschien moet u dat (af en toe keihard noodzakelijke) schelden en tieren toch maar overlaten aan iemand die dat in de vingers heeft. Ieder zijn stiel nietwaar? Bij het Weekblad hebben ze mijn nummer. Het ga u bijzonder en mij ook.  

Misschien volgend jaar weer…

(Column in het Weekblad voor Deurne, 03-03-2022)

En toch kon je merken dat het niet écht carnaval was. En dat was niet omdat de tapkranen dicht bleven of dat de blaaskapellen niet hard genoeg toeterden. Of dat er hier niet voldoende ‘bovensloters’ rondhingen die nu wel eens aan den lijve wilden ondervinden of onder de rivieren het vrouwvolk echt een stuk gewilliger is met die dagen. Die noorderlingen herken je van een afstand trouwens; hun outfit is net wat te gedateerd en ze zingen net wat te hard mee met ‘bij Hoevelaken linksaf’, het enige carnavalsnummer dat ze kennen. (Jawel, zomaar een gratis lesje van mij voor u voor volgend jaar.)

Nee, het was gewoon niet écht carnaval omdat het weer niet meewerkte. Nu hoort u mij niet klagen, ik vond het prima zo in het zonnetje met een koel blijvende consumptie in de hand en met mij nog vele anderen, zo bleek. Maar laten we eerlijk zijn; met carnaval hoort het toch gewoon barbaars weer te zijn? Bij het sleutelafhalen op de Markt hoor je te blauwbekken, tijdens optochten wordt het geacht te plenzen en de straten dienen nog dagenlang bezaaid te zijn met afgewaaide hoedjes, kleddernat snoepgoed en verregende serpentines toch?

Voor wat betreft die optochten spreek ik uit ervaring. Het labiele carnavalsclubje waar ik deel van uit maak, liep regelmatig mee en zelden bereikten wij niet totaal verzopen en met kapotgewaaide attributen de eindstreep. Nu gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat hetgeen wij meesjouwden vaak niet zo weerbestendig was als dat van al die andere deelnemers. Onze ‘keigoeie’ ideeën kwamen vaak pas enkele dagen vooraf bovendrijven en daar leed de kwaliteit van onze creaties vaak ernstig onder. Ons enthousiasme gelukkig niet en dat leverde ons af en toe zowaar ook nog eens een prijsje op. (Nee, de jury omkopen was niet aan de orde. Niet dat we het niet geprobeerd hebben, maar ze bleken steevast akelig integer.)

Veel te mooi weer dus, deze carnaval, maar met een beetje geluk valt het volgend jaar weer met bakken uit de lucht. Tradities zijn er om te koesteren nietwaar? Het ga u bijzonder en mij ook.          

Frater(s)huis (6)

Voor diegenen onder u die mij niet van dichtbij kennen; ik ben al dik dertig jaar lid van de PrCie, een clubje dat voornamelijk rond carnaval, maar ook wel eens op ander momenten in het jaar, probeert wat leven in de Deurnese brouwerij te brengen. Af en toe ook, proberen we lokale zaken die naar ons idee voor verbetering vatbaar zijn of die ons mateloos storen aan te kaarten. Niet door gelijk op de barricades te springen, maar door op een luchtige manier mensen aan het denken te zetten.

Zo dus ook de trieste ondergang van het Fraterhuis, een prachtig gebouw aan De Visser in Deurne dat gebouwd werd in 1896 voor de Fraters van Tilburg, die het onderwijs van de grond tilden op onze schrale zandgrond.(mooie beschrijving op deurnewiki.nl) Het is helaas in handen gevallen van een gewetenloze projectontwikkelaar die het willens en wetens laat verkrotten. Iets wat naar ons idee echt te schandalig is voor woorden. We hebben eerst keurig nagevraagd wat de gemeente Deurne hier daadwerkelijk aan zou kunnen doen en dat bleek helaas schrikbarend weinig. Het schorriemorrie dat het rijksmonument(!) nu in zijn bezit heeft voldoet precies aan alle regeltjes om het op deze schandalige wijze aan zijn lot over te mogen laten. Droevig, ik weet het, maar het is niet anders. Hieronder leest u de laatste van onze ingezonden brieven die geplaatst werden in het onvolprezen Weekblad voor Deurne.

Stil, oorverdovend stil.

Jawel, het is nog steeds akelig stil in en om ons Fraterhuis. Geen geklop van hamers en gedril van boren, geen sjouwende bouwvakkers of zwoegende werklieden en ook af en aan rijdende vrachtwagens zijn er niet gesignaleerd. Nu hadden wij dit alles ook niet verwacht, en u waarschijnlijk ook niet. Wij allen weten inmiddels verdomd goed dat de malafide vastgoedboef die eigenaar is van het pand op zijn gemak achteroverleunt en wacht tot de zaak vanzelf in mekaar dondert. Zodat hij er een wanstaltig maar lucratief appartementencomplex neer kan plempen. Maar dat kwartje is blijkbaar bij onze dames en heren bestuurders nog niet echt gevallen.

Want het is ook ijselijk stil in en om ons gemeentehuis wanneer het over het Fraterhuis gaat. Nu ben ik de laatste die zal zeggen dat onze gemeenteraad de laatste jaren niks voor mekaar gekregen heeft. Zo is eindelijk de rotte kies die het voormalige notariskantoor aan de Lage Kerk al jaren was getrokken (beter laat dan helemaal nooit), is de leegstand in het Deurnese centrum duchtig aangepakt (goed gedaan jonges) en stroomt alle doorgaande vrachtverkeer dat vroeger door de Heuvelstraat denderde inmiddels gladjes door de nagelnieuwe spoortunnel (oh nee, nog niet helemaal). Allicht hebben ze nog veel meer goeie dingen gedaan en vanzelfsprekend zijn er nog steeds hartstikke gewichtige zaken die dringend aangepakt moeten worden. Het bepalen van de kleur van het toiletpapier in ons nieuwe Huis van de Samenleving bijvoorbeeld, heeft uiteraard de hoogste urgentie, net zoals het formaat van de nieuwe koffiebekertjes Ook het bedenken van uiterst authentieke namen voor nieuwbouwprojecten heeft natuurlijk absolute prioriteit en daarbij is het ook nog eens belangrijk zeker genoeg in de krant en op feestboek te staan, zodat de kiezers dadelijk nog weten wie je bent. Maar het voortbestaan van het Fraterhuis staat niet hoog op ieders lijstje zo te zien en da’s eigenlijk best wel raar toch?

Immers, over iets minder dan twee maanden (en da’s niet lang meer) zijn er weer verkiezingen voor een nieuwe gemeenteraad. Op 16 maart gaan wij weer met z’n allen bepalen wie de komende vier jaar in Deurne de scepter gaan zwaaien. En als ik een politieke partij was (klinkt goed hè) zou ik als de wiedeweerga alle stemmers heel duidelijk laten weten wat mijn kamp van plan is te gaan doen aan de onbetrouwbare witteboordencrimineel die het rijksmonument aan de Visser simpelweg laat verkrotten.  

Maar misschien realiseren onze dames en heren politiekelingen het zich niet eens en moet ik ze er hier even op wijzen; wij Deurnenaren zijn weliswaar een zeer vergevingsgezind volkje maar als we straks weer met z’n allen richting stemlokaal gaan kan het toch zomaar een beetje bijltjesdag worden. Dan herinneren we ons ineens weer welk clubje zich de laatste vier jaar ingespannen heeft voor het behoud van ons Fraterhuis en vooral wie dat blijkbaar allemaal worst zal wezen zolang we de kavel die eronder ligt maar verkocht krijgen. Dan weten we zomaar ineens weer welke partij vier jaar lang angstvallig de andere kant op heeft gekeken en gedaan heeft alsof haar neus bloedde wanneer het hierover ging. En in dat stemhokje kunnen we dan even afrekenen; contant.

Het ga u bijzonder en ons ook, Cees van den Broek

Gewichtige zaken

Ik ben ietsjes te zwaar. Volgens mijn huisarts, met wie ik uitstekend en bijna tegelijk door een deur kan, draag ik voortdurend een paar fors bemeten stoeptegels met me mee en die zou ik best thuis zou mogen laten. Zelf houd ik het er gemakshalve op dat ik wat klein ben voor mijn gewicht. Maar goed; ik weet best dat er behoorlijk wat vanaf zou mogen. De tijd dat mijn spijkerbroeken dezelfde breedte- als lengtematen hadden is al lang voorbij en een boordmaatje 40 doet me al tijden akelig naar adem happen. Afvallen en lichaamsbeweging dus.

Helaas is doelloos bewegen gewoon niet mijn ding. Tenzij ik nagezeten word door een bijzonder kwaaie hond zult u mij niet hijgend en zwetend zien rennen en wanneer ik eerdaags dood in een sportschool word aangetroffen kunt u er gevoeglijk van uitgaan dat ik eerst ontvoerd en daarna vermoord ben (niet zelf bedacht, wel grappig). Ook lijnen wil niet echt lukken. Enige tijd terug besloot ik meer minder te gaan eten en zodoende 15 kilo af te gaan vallen. Na enige weken vreselijk vasten had ik er nog 17 te gaan. Ik bedoel maar. Al die populaire boeken over diëten zijn aan mij dan ook niet echt besteed. Ik lees de adviezen maar half en vooral zeer selectief en kwam er laatst achter dat waar ik ‘dagelijks een rijsttafel’ las er ‘rijstwafel’ bedoeld werd. Al met al zet het niet veel zoden aan de dijk, dat begrijpt u.

Nu ben ik, zoals u misschien al eerder las, een onrustig slaper. Waar Doornroosje ongestoord honderd jaar aan een stuk kon pitten lukt mij dat met moeite evenzoveel minuten. Het grote nadeel daarvan is dat ik vaak brak opsta en er de hele dag als een zombie bijloop. Het enige voordeel is dat ik in het holst van de nacht naar de televisie staar en dan de meest waanzinnige artikelen voorbij zie komen in de teleshopprogramma’s die dan de baas zijn op de buis. En daar ontdekte ik, zomaar op een doordeweekse nacht, de naar het zich liet aanzien definitieve oplossing voor mijn gewichtsprobleem.

“Dokter Ming’s Thee brengt de energie van uw lichaam in perfecte balans met de aarde. Terwijl u de kilo’s ziet verdwijnen versterkt de natuurlijke thee uw immuunsysteem en verhoogt tegelijkertijduw vitaliteit.” Kijk; zo mag ik het graag horen. Het meteen daaropvolgende “forceer uw lichaam niet met overmatig sporten” was uiteraard helemaal koren op mijn bedaard draaiende molen. In gedachten zag ik mezelf moeiteloos en in recordtijd veranderen in de slanke adonis die ergens diep onder mijn vetrolletjes verborgen moest zitten. En dat enkel en alleen door het sloeberen van een paar kopjes thee. Het feit dat het miraculeuze goedje “al eeuwenlang gebruikt wordt in verafgelegen regio’s van China” trok me al zo goed als over de streep; voor zover ik weet zijn namelijk alle Chinezen klein en vooral broodmager. Ik besloot de arts maar eens te bellen voor een consult.

Waarschijnlijk lag de geneesheer zelf op het onchristelijke uur al lang op één oor, want ik kreeg een jongedame (waarschijnlijk zijn assistente) aan de lijn. Die wist me eigenlijk over het wonderproduct zelf niet veel te vertellen. Wel gaf ze me mee dat het “geen honderd, geen tachtig, geen zestig, geen vijftig en zelfs geen veertig euro kostte maar slechts negenendertig euro negenennegentig.” Net toen ik “oké doe maar” wilde roepen gilde ze nog “maar wacht, omdat u nú belt krijgt u niet één maar zelfs twee verpakkingen voor deze superlage prijs.” Ik kreeg vaag het idee dat ik dit al eens eerder gehoord had, maar ik was uiteraard zeer tevreden met de fantastische aanbieding en aarzelde geen moment. Ik bestelde maar liefst vier verpakkingen voor de prijs van twee zodat ik meteen een paar maanden vooruit kon.

Geld overmaken ging rap, de bezorging liet op zich wachten. Eerst ging ik er nog van uit dat het natuurlijk even kon duren voor al die vrolijk zingende Chinese meisjes in authentieke klederdracht de theeblaadjes geplukt hadden. Maar na twee weken ongedurig wachten op de bezorging die maar niet wilde komen, besloot ik maar eens te informeren waar mijn wondermiddel bleef. Ik kreeg een andere assistente aan de lijn. Blijkbaar was de medicus drukdoende doodzieke patiënten te genezen waardoor hij zelf de telefoon niet aan kon nemen. De jongedame vertelde me dat het door “grote drukte” (goed teken) ooit wat langer kon duren, maar dat mijn pakketje weldra zou arriveren.

Ze had gelukkig gelijk; nauwelijks een week later stond een gehaaste jongeman in een oranje bodywarmer aan mijn deur te trappelen van ongeduld (hij bleef tenminste behoorlijk op de deurbel hangen) om mij een pakketje te overhandigen. Ik griste het bijna uit zijn handen en ging vol verwachting gelijk aan de slag. Hoewel in de bijsluiter stond dat enkel door het drinken van een kopje voor het ontbijt en eentje na het avondeten in mijn lichaam “een natuurlijk mechanisme geactiveerd wordt dat ervoor zorgt dat u meer energie krijgt en spontaan vet gaat verbranden”, besloot ik meteen maar van het miraculeuze spul te gaan nuttigen. Het zag eruit als gedroogde en versnipperde brandnetel; de beloofde “cocktail van zeer waardevolle ingrediënten” kon ik zo op het oog nog nergens ontdekken. Ik liet me er niet door weerhouden en brouwde een stevige mok van het goedje. Het rook naar oud kuilvoer en de smaak was navenant. Ik overwon mijn walging, goot het spul naar binnen en ging op de bank zitten wachten op wat ongetwijfeld komen zou. Weldra zouden “de vetcellen vrij gaan bewegen die het metabolisme zullen activeren en de overbodige calorieën als sneeuw voor de zon zullen laten verdwijnen”.

Het was zwaar teleurstellend zeg ik u. Het enige wat daadwerkelijk geactiveerd werd was brandend maagzuur, maar dat kon eventueel ook te wijten zijn aan de dubbele uitsmijter die ik kort daarvoor naar binnen gewerkt had. En dat diezelfde avond mijn normaliter zo solide toiletbezoek uitmondde in een spetterende aangelegenheid, zou misschien ook gelegen kunnen hebben aan de grote shoarmaschotel die ik wegspoelde met twee flesjes bier bij het avondeten. Het voordeel van de twijfel en zo. De daaropvolgende weken dronk ik liters van Dr. Ming’s slootwater; het bleef stinken en onveranderd smerig. Mijn eetgewoonten aanpassen leek me onverstandig. De calorieën zouden er sowieso af gaan vliegen, of ik wilde of niet, en ik moest natuurlijk zien te voorkomen dat ik ondervoed zou raken. Enkel het waterige goedje leek onvoldoende om me op de been te houden. Verder bleef mijn maag opspelen en mijn poep dun.

Afijn, drie weken lang hield ik het vol regelmatig Ming’s rioolvocht kokhalzend naar binnen te slurpen. Al die tijd bedwong ik de neiging op de weegschaal te gaan staan, maar uiteindelijk won nieuwsgierigheid het toch van mijn geduld. Na een bewust chipsloze zaterdagavond ging ik op zondagochtend vóór het ontbijt twee keer naar het toilet om de laatste grammen nog kwijt te raken en beklom ik vervolgens de genadeloze digitale arbiter. De teleurstelling verbijtend constateerde ik dat ik ruim zes ons was aangekomen. Mijn vertrouwen in de Oriëntaalse kwakzalver en zijn smerige bocht zakte ter plekke dusdanig dat ik besloot een punt te zetten achter de zelfkastijding. Ik kookte een grote ketel water, donderde alle resterende gedroogde groenafval erin en besproeide er de met mos uitgeslagen stoep achter mijn huis mee, in de hoop dat alle onkruid tussen de tegels er net zo beroerd van zou worden als ikzelf. Zelfs daarvoor bleek het niet te werken.

Maar wanneer u nu denkt dat ik het hoofd in de schoot gelegd heb en mijn alleszins belabberde conditie en vooral mijn overbodige kilo’s dan maar voor lief ga nemen, vergist u zich. Ik heb besloten te gaan wandelen; zeker tienduizend stappen per dag. En daar ga ik morgen mee beginnen. Of volgende week. Denk ik.

Frater(s)huis (5)

Voor diegenen onder u die mij niet van dichtbij kennen; ik ben al dik dertig jaar lid van de PrCie, een clubje dat voornamelijk rond carnaval, maar ook wel eens op ander momenten in het jaar, probeert wat leven in de Deurnese brouwerij te brengen. Af en toe ook, proberen we lokale zaken die naar ons idee voor verbetering vatbaar zijn of die ons mateloos storen aan te kaarten. Niet door gelijk op de barricades te springen, maar door op een luchtige manier mensen aan het denken te zetten.

Zo dus ook de trieste ondergang van het Fraterhuis, een prachtig gebouw aan De Visser in Deurne dat gebouwd werd in 1896 voor de Fraters van Tilburg, die het onderwijs van de grond tilden op onze schrale zandgrond.(mooie beschrijving op deurnewiki.nl) Het is helaas in handen gevallen van een gewetenloze projectontwikkelaar die het willens en wetens laat verkrotten. Iets wat naar ons idee echt te schandalig is voor woorden. We hebben eerst keurig nagevraagd wat de gemeente Deurne hier daadwerkelijk aan zou kunnen doen en dat bleek helaas schrikbarend weinig. Het schorriemorrie dat het rijksmonument(!) nu in zijn bezit heeft voldoet precies aan alle regeltjes om het op deze schandalige wijze aan zijn lot over te mogen laten. Droevig, ik weet het, maar het is niet anders. Hieronder leest u een van onze ingezonden brieven (meestal wel, maar deze keer ondanks een fraaie belofte niet geplaatst door de redactie…) in het Weekblad voor Deurne.

Zo, het was weer Kerstmis en dan is ’t weer meteen oud en nieuw en tju toch wat vliegt de tijd en wat is er toch weer een hoop gebeurd en zo bla bla bla… Nee dus, verwacht van mij hier geen terugblik op het afgelopen jaar. Afgezien van het feit dat het in veel opzichten zeker geen schoonheidsprijs verdiende en vooral omdat dit een positief stukje moet zijn zo net na de kerst, ga ik hier niet achteromkijken. En als u op zoek bent naar een lofzang op die oergezellige feestdagen kunt u nu beter stoppen met lezen en iets zinnigs gaan doen. Punniken of zo. Ikzelf houd namelijk niet van avondvullende maaltijden met ‘die altijd weer gezellige’ familieleden, verveel me kapot tussen oud en nieuw en zou eigenlijk veel liever gewoon gaan werken. Bovendien word ik iedere keer weer helemaal chagrijnig bij alweer zo’n slap kerstliedje in de top2000 en ik heb een pleurishekel aan vuurwerk. Ik gun dus (bijna) iedereen fantastische dagen, maar doe mij maar lekker carnaval. Nu heb ik stiekem ook nog het idee dat ik niet de enige ben die ‘niet direct onverdeeld positief’ staat tegenover deze tijd van het jaar. Volgens mij zitten er namelijk nog veel meer mensen met de ziel onder de arm naar de uitgevallen naalden onder de boom te staren. Om al deze treurige figuren in ieder geval een half uurtje lang wat zinvols te doen te geven heb ik het volgende bedacht. In het stukje hieronder treft u met enige regelmaat een onzinnige term aan. Laten we zeggen; ‘smølende augurk’. De bedoeling is nu dat u, wanneer u al lezend daarbij uitkomt, even achteroverleunt en daarvoor iets anders verzint. U schrijft dan in uw hoofd als het ware mee met deze ingezonden brief en kunt geheel naar eigen inzicht eens een keer tekeergaan. Aardig toch?   

Een paar weken terug las u op deze plek een stukje van ons, waarin ik weer eens als vanouds ongenuanceerd tekeerging over de deplorabele staat van óns Fraterhuis aan de Visser. Daarin liet ik ook duidelijk merken hoe wij dachten (en denken) over de fraaie toezeggingen van de ‘smølende augurk’ die dit rijksmonument (!), wat van onschatbare waarde is voor Deurne, aan zijn lot over laat enkel en alleen om zijn eigen zakken te kunnen vullen.

Maar het zou héél misschien eventueel ook zo kunnen zijn dat deze ‘smølende augurk’ zomaar een excuus heeft waardoor hij al zijn mooie praatjes al een half jaar lang niet waar heeft kúnnen maken. Ik denk nu gewoon even hardop: Misschien heeft hij wel maandenlang gruwelijk last ondervonden van een ingegroeide teennagel die hem belette te werken of mogelijk verloor hij op een slechte dag zijn mobieltje zodat hij de telefoonnummers van zowel zijn aannemer als dat van het Eindhovens Dagblad kwijtraakte. Zou zomaar kunnen toch? Mogelijkerwijs zelfs, heeft de ‘smølende augurk’ het de laatste maanden gewoon keidruk gehad met het verzamelen van namen en adressen van Deurnese politici die hij een formidabel kerstpakket of een welgemeende nieuwjaarswens in een gesloten couvert wil toesturen. Of was hij soms van zins een voetreis te ondernemen naar Santiago de Compostella om rustig na te kunnen denken over de toekomst van het Fraterhuis, maar verdwaalde hij iets ten zuiden van Someren en zwierf hij maandenlang enkel gehuld in vodden en moederziel alleen over de Strabrechtse Hei? Niet helemaal ondenkbaar toch? Of wellicht kreeg de hond van die ‘smølende augurk’ volkomen onverwacht vijftien jongen waar hij ineens dringend voor moest zorgen of vertrok zijn vrouw plotsklaps met de melkboer (geef haar eens ongelijk…) en raakte hij ook nog eens chronisch aan de sproeipoep waardoor hij dagelijks zelf zijn toilet moest schrobben. Alleszins mogelijk nietwaar? Het zou zelfs zomaar kunnen zijn dat dit stuk ‘smølende augurk’, nét voor hij grootschalig wilde gaan restaureren, in het Fraterhuis een familie knoflookpadden aantrof waarna hij, als de nobele dierenvriend die hij ongetwijfeld is, gelijk de deur op slot gooide en nu al maandenlang vol ongeduld wacht op antwoord en een kruiwagen subsidie van de gemeente Deurne.

U ziet; zeker met de kerstgedachte nog in het achterhoofd (het aureool boven mijn kalende kruin licht nu stralend op) moeten we onze vooringenomen mening wellicht bijstellen. Het zou (zéér onwaarschijnlijk weliswaar) zomaar kunnen zijn dat deze notoire graaier eigenlijk niet eens zo’n hele asociale ‘smølende augurk’ is en dat hij het alsnog goed voor heeft, met ons en ons Fraterhuis. (Oké, ik geef ronduit toe dat ik het laatste stukje van de laatste zin meewarig grijnzend ingetikt heb.)

Ik wens u deze week vooral nog copieuze schranspartijen met een lekker glaasje erbij of vreselijke bacchanalen vergezeld van smakelijke borrelhapjes, net waar uw voorkeur ligt. In ieder geval hoop ik dat u verschoond blijft van schroeiend maagzuur, ongewenste gasvorming of gruwelijke katers. Namens iedereen van de PrCie; een goed begin van 2022 en denk aan het Fraterhuis wanneer u op 16 maart in het stemhokje staat! Het ga u bijzonder, en ons ook.

Uit eten

Nagenoeg elke week verzorgt een overduidelijk -veel te- gastronomisch onderlegde journaliste onder de kop ‘Over de Tong’ een culinaire rubriek vol superlatieven in het regionale liegebeest. Daartoe bezoekt ze, met een gast, exclusieve eetgelegenheden in de omgeving. Ik kon niet achterblijven.

Dat je voor een overdadige smaaksensatie niet altijd ver weg hoeft, wordt ons eens te meer duidelijk. Mijn invité en ik hebben ditmaal gekozen voor een lokaal restaurant op loopafstand. Vooral door de lovende kritieken van diverse buurtgenoten die het frequent bezoeken, staat de eetgelegenheid al wat langer op ons verlanglijstje. Het etablissement blijkt niet moeilijk te vinden en is centraal gelegen aan het schilderachtige plein voor de kerk en wordt omringd door drukbezochte tapperijen met gemoedelijke terrassen. Dat de complimenteuze beoordelingen niet overdreven zijn, wordt ons meteen duidelijk door het grote aantal rijwielen dat voor de lokaliteit gestald staat.

Bij binnenkomst valt ons gelijk de zeer oorspronkelijke inrichting op. Men heeft duidelijk gekozen voor een fifties american-diner uitstraling waarin formica, chroom en glas de boventoon voeren. Hoewel wij niet gereserveerd hebben lukt het ons een tafeltje met uitzicht op de volledig open keuken te bemachtigen. Ofschoon een rugleuning ontbreekt blijken de met fleurig skaileer bekleedde taboeretjes ronduit comfortabel. Van tafellinnen is gelukkig geen sprake, het zou jammer zijn het authentieke karakter van het meubilair aan het oog te onttrekken.

Verrassend genoeg heeft de uitbater gekozen voor een ietwat onorthodoxe wijze van bestellen. Gasten worden geacht de keuze van hun gerechten duidelijk te maken aan de chef zelf, die staande achter een uitstaltafel, het menu opneemt. Ook van een spijskaart is, enigszins onverwacht, geen sprake. De diverse gerechten zijn overzichtelijk gerangschikt op duidelijk leesbare tableaus boven de balie. Na enig wachten, de drukbeklante zaak vervult blijkbaar ook een take-away functie, lukt het onze keuzes door te geven. Door ontkennend te antwoorden op de vraag ‘inpakken?’ maken wij duidelijk dat we graag ter plekke willen tafelen.

Wachtend op onze couverts hebben we alle gelegenheid de markante inrichting te bewonderen. Op de wanden van fraai geglazuurde witte tegeltjes zijn door de binnenhuisarchitect op onregelmatige plaatsen posters geplaatst van regionale evenementen en wedstrijden van de lokale voetbalclub. Het ontbreken van lijsten en het veelvuldig gebruik van cellotape draagt bij aan het waarachtige karakter van het geheel. Boven de vitrine hangen verlichte armaturen met foto’s van diverse gerechten en schotels, kunstig door een artiest bewerkt zodat ze ietwat verschoten lijken.

Lang hoeven we niet te wachten op onze voorgerechten. De bediening, geheel in stijl gekleed in een wit voorschoot met daarop een speels dessin van bruine en gele vlekken, brengt mijn tafeldame een kleine huzarensalade van verse huzaren op een bedje van belegen sla, gelardeerd met kunstig gesneden schijfjes ei en tomaat. Het geheel is rijkelijk overgoten met een frisse versgetapte mayonaise en wordt geserveerd in een subtiel doorzichtig kunststof schaaltje met bijbehorend eetgerei. Zeer pittoresk en bijzonder smakelijk. Mijn keuze is uitgegaan naar de soep van de dag, toch vaak het visitekaartje van de ware meester-kok. Mij wordt een klassieke tomatensoep voorgezet waarin geroosterde gehaktballetjes zorgen voor de hartige touche en een bijzonder mondgevoel. Voor het decor is de consommé afgemaakt met flintertjes bieslook en een toefje peterselie. De velouté blijkt ongecompliceerd maar zeer smaakvol.

Bij onze tweede gang besluiten we ditmaal eens niet te vragen om de wijnkaart. Behalve dat de overdadige borrel van de avond tevoren ons nog enigszins parten speelt, willen we de verfijnde smaken van wat ons ongetwijfeld nog te wachten staat niet onder laten sneeuwen door zware wijnen. Mijn tafelgenote houdt het op een frisdrank met delicate accenten van citroenen, ikzelf besluit mezelf te trakteren op een smaakvolle pilsener van een regionale brouwer. Beide dranken worden, verrukkelijk gekoeld, vrijwel direct geserveerd in handige aluminium busjes met bonte opdruk die uitstekend passen bij de informele entourage.

De hoofdgerechten dienen opnieuw besteld te worden, een minpuntje in onze optiek, maar worden daarna vlot uitgeserveerd. Mijn gaste heeft gekozen voor een, verrassend op de kaart aanwezige, oriëntaalse bamischotel met spiesjes van geroosterd gevogelte. Het beeldschone tableau is opgesierd met een al dente gebakken spiegelei en een rijke keus aan ingelegde tafelzuren. De vleesspiesjes zijn misschien iets te well-done, maar royaal overgoten met een smeuïge en enigszins pikante pindasaus. Enige schijfjes luchtige kroepoek oedang vervolmaken het oosterse gerecht. Op ons verzoek vindt een flesje smaakvolle sojadressing al snel een weg naar onze tafel. De kwalificatie ’tongstrelend’ doet het gerecht bijna te weinig eer aan. Mijn keuze is gevallen op de licht gefrituurde julienne gesneden aardappeltjes met een ragout van gestoofd rundvlees. De aardappelsteeltjes blijken onberispelijk bereid, krokant gebakken met knapperige randjes en zijn aangenaam licht gezouten. Ze zijn overvloedig overgoten met een fluweelzachte hachee waarin uitgebalanceerde tonen van azijn, kruidnagel en laurierblad de boventoon voeren. Het vlees is perfect gegaard en enige fijngesneden zilveruitjes zorgen voor een subtiele bite. Het geheel wordt fijnzinnig geserveerd in een charmant en bovendien ecologisch verantwoord kartonnen kommetje met een allerliefst houten fourchette. Al met al een onstuimig feestje voor oog en mond.

Over de keuze van een nagerecht hoeven wij beiden niet lang na te denken. Het viel ons gedurende de maaltijd al op dat veel van de gasten kiezen voor een gerecht dat welhaast de specialiteit van het huis moet zijn. Wij besluiten dit goede voorbeeld te volgen en gaan dan ook voor het vanille-ijs met de krokante topping van ijskoude chocolade. De spannende combinatie wordt geserveerd in een vernuftig vervaardigd bakje van biscuit en de chocolade is op kunstige wijze over het ijs gedrapeerd. Heerlijk zoet en uitbundig van smaak, maar zeker niet plakkerig. Bij dit exquise nagerecht kunnen we niet anders dan vaststellen dat deze talentvolle chef alle lovende kritieken meer dan waarmaakt. Elk gerecht dat op tafel verschijnt is niet alleen een lust voor het oog, maar de smaken zijn rijk, uitdagend en perfect in balans. De prijs/kwaliteitverhouding is meer dan uitstekend en de charmante bediening is vriendelijk, efficiënt en zeer kundig. Een absolute aanrader voor de verwende fijnproever.